< >

PROEFTOETS JODENDOM NR. 1

Abraham, Mozes en David.

SUCCES MET JE STUDIE!

 ABRAHAM

1. Ismaël is de zoon van Abraham en Sarah / Hagar.

2. Isaäc is de zoon van Abraham en Sarah / Hagar.

3. Hagar is de vriendin / slavin van Sarah.

4. Abraham stuurt Sarah / Ismaël / Isaäc/Hagar weg.

5. Abraham leert zijn zoon iets te offeren dat gemist kan worden / veel voor hem betekent.

 

6. De zoon uit Sarah / Hagar betekent het minst/meest voor Abraham.

7. Abraham wordt door JHWH gevraagd zijn zoon te slachten / te offeren.

8. Abraham is voor de joodse religie een aardsvader / een profeet.

9. Deze gebeurtenis leert dat JHWH van mensen wel / geen mensenoffers wil.

10. Het beloofde land is een onzichtbaar / zichtbaar koninkrijk.

 

MOZES

11. Het bloed van een lam / stier moet op de deurlijsten van de Egyptenaren / Israëlieten worden aangebracht.

12. Hierdoor worden zij gespaard door de Farao / voor de dood.

13. Na de bevrijding trekt het volk het beloofde land / de woestijn in.

14. Als de mensen honger hebben voedt Mozes / JHWH hen met brood / manna.

15. Op de berg Sinaï ontvangt Israël de wet / wordt het verbond gesloten.

16. De wet / het verbond wordt door Mozes / JHWH vastgelegd op houten / stenen platen.

 

17. De wet / het verbond wordt bezegeld met het bloed van een lam / stier.

18. De ark van het verbond met het Manna / de platen wordt bewaard in een tent / tabernakel.

19. Als ede mensen water willen gedraagt Mozes zich nederig / hoogmoedig.

20. Mozes gaat wel / niet het beloofde land in vanwege zijn hoogmoed / nederigheid.

 

DAVID

21. De priester / profeet Samuël doopt / zalft Saul tot koning van Israël.

22. Samuël / Saul wordt vervuld met blijdschap / de geest van God.

23. Saul moet bij Gilgal de strijd aangaan / wachten op Samuël.

24. Als de Amelkieten verslagen zijn dood Saul / Samuël de koning.

25. God / Samuël wijst een andere koning aan omdat Saul dood / ongehoorzaam is.

 

26. Samuël vindt David een geschikte / ongeschikte kandidaat voor het koningschap.

27. Als de geest van God Saul verlaat is hij opgelucht / bedroefd.

28. David wordt gezocht om voor Saul te vechten / zingen.

29. Goliath de Griek / de Filistijn / de Romein wordt door Saul / David verslagen met een speer / steen.

30. Salomo de neef / zoon van David gaat de tempel bouwen in Jeruzalem.