Closereading vragen.

 

  1. Waarom keek David gespannen naar de Heer, r2?

 

  1. Wat deed de Heer zoal volgens r2 en r3?

 

  1. Omschrijf dat in je eigen woorden!

 

  1. Waarom leerde God hem een nieuw lied, r4?

 

  1. Heeft de godheid die David vereert veel voor David gedaan, r6?

 

  1. Waarvan is David doordrongen, r7?

 

  1. Wat wordt daar mee bedoeld?

 

  1. Wat wil de Heer wel, r7-r9?

 

  1. Waar zegt David: Hier ben ik, r8?

 

  1. Wat wordt bedoeld met “uw wet staat …. In r9?

 

  1. Waarom kan David niet zwijgen, r10?

 

  1. Wat is het verschil in de stemming  / de sfeer tussen r4 en r13?

 

  1. Wat overweldigt David, r13?

 

  1. Wat wordt bedoeld met: meer dan de haren op mijn hoofd, r13?

 

  1. Hoe zou je de situatie noemen waar David zich in bevindt in r12-16?

 

  1. Leg uit  wat er in r14 moet gebeuren?

 

  1. Wanneer ben je gelukkig volgens David, r5?

 

  1. Waaruit blijkt dat David doet wat staat in r5?

 

  1. Verklaar de titel: diepe vreugde?

 

  1. Waar moet geen geheim van worden gemaakt, r11?

 

 

 
Tekstvak: Voor de voorzanger. Een psalm uit de bundel van David, Psalm 40: Diepe vreugde.

2 Gespannen keek ik uit naar de Heer, ik riep om hulp en hij heeft mij gehoord: hij boog zich naar mij over 3 en trok mij uit de put, uit het slijk en de modder. Hij gaf mij grond onder de voeten, ik wankelde niet meer. 4 Hij leerde mij een nieuw lied, een lied om hem, onze God, te danken. Ieder die het hoort, zal onder de indruk komen en op de Heer vertrouwen.

5 Want gelukkig ben je als je op hem vertrouwt, je heil niet zoekt bij verwaande mensen, bij hen die verstrikt zijn in leugens.

6 Heer, mijn God, wat hebt u niet voor ons gedaan, wat hebt u niet met ons voor! Als ik over u zou willen vertellen, over wat u gedaan hebt, waar zou ik moeten beginnen? Het is te veel om op te noemen. 

7 Maar dit wil ik wel zeggen: offers geven u geen vreugde, daarvan hebt u mij doordrongen. 
U verlangt geen brandoffers en geen offers om zonden weg te nemen.
8 Daarom zeg ik: Hier ben ik. In de boekrol staat wat ik moet doen. 9 Vol vreugde volbreng ik uw wil, uw wet staat mij in het hart gegrift.

10 Wanneer uw volk bijeen is, Heer, zal ik vertellen hoe goed u bent. U weet het, Heer, ik kan niet zwijgen.

11 Ik maak er geen geheim van: u bent goed en betrouwbaar, liefdevol en trouw, u brengt uitkomst. Dat zal ik verkondigen, overal waar uw volk bijeen is.

12 Heer, onthoud mij uw medeleven niet. Bescherm mij, vol liefde en trouw, steeds weer opnieuw. 13 Want rampen overvallen mij, de een na de ander, ze zijn niet meer te tellen. Het besef van mijn zonden overweldigt mij. Hoeveel misstappen heb ik niet begaan! Meer dan de haren op mijn hoofd. Ik heb alle moed verloren.
14 Heer, bevrijd mij toch, kom mij helpen, snel! 15 Zij die mij naar het leven staan, laat ze bedrogen uitkomen, rood worden van schaamte. Ze wensen mijn ondergang, laat ze terugdeinzen, overdekt
met schande. 16 Nu al juichen ze over mijn dood, laat ze zwijgen van schaamte. 

17 Maar vervul met diepe vreugde wie u zoeken en van u houden. Laat hen steeds kunnen zeggen: ‘De Heer doet grootse dingen, hij brengt uitkomst.’ 18 Ik ben arm en hulpeloos, maar u, Heer, vergeet mij niet. U helpt mij, u redt mij. Mijn God, laat mij niet wachten!