In het Paradijs leefde de mens in volle aanwezigheid van de Schepper. Men beminde volkomen, alles en iedereen. Men kende geen kwaad. Deze wijze van leven is leven met de hoogst denkelijke menselijke waardigheid.
Buiten het Paradijs, in zijn aardse bestaan, staat men bloot aan het kwade. Dit leidt tot het verval van de menselijke waardigheid. Men leeft niet meer in de volle aanwezigheid van de Schepper. Men geeft regelmatig toe aan het kwaad. Het zicht op het echte menswaardig leven is de gevallen mens kwijt.
De Messias wil de mens weer doen op staan (door de vergeving van zonden en geven van Zijn Liefde) en zijn waardigheid herstellen (door te dopen met de Heilige Geest).